Wat is Kunstrijden ?

 

KUNSTRIJDEN of KUNSTSCHAATSEN 

Kunstschaatsen (eigenlijk “kunstrijden op de schaats”) is een sportieve gebeurtenis waarbij solisten, paren en groepen schaatsers rotaties, sprongen en andere bewegingen op het ijs maken, die meestal onder begeleiding van muziek worden uitgevoerd. Een serie van schaatselementen wordt in deze sport een “kür” genoemd.

Het kunstschaatsen is internationaal ondergebracht bij de ISU (internationale schaatsunie), naast het langebaanschaatsen en shortrack. De ISU organiseert de vijf belangrijkste toernooien (de Olympische toernooien onder auspiciën van het IOC).

De officiële onderdelen op deze kampioenschappen zijn solorijden voor mannen en vrouwen, paarrijden (man en vrouw) en ijsdansen (idem). Daarnaast kent het kunstschaatsen het onderdeel synchroonschaatsen (formatieschaatsen door een groep) en is showrijden een nieuw onderdeel, wat momenteel voornamelijk een recreatieve status heeft.

Kunstrijden was de eerste ijs- en sneeuwsport met een Olympische status. Het ijsdansen daarentegen werd pas in 1976 aan het Olympisch programma toegevoegd.

SOLO-RIJDEN

Het kunstrijden bestaat, na het afschaffen van de verplichte figuren in 1990, nu nog uit twee onderdelen: een kort kür en een vrije kür. De korte kür behelst een kür op muziek van maximaal 2 min. 40 sec., waarin maximaal acht voorgeschreven elementen mogen voorkomen welke vooraf (per jaar verschillend) door de ISU worden bepaald. De elementen in het technische programma moeten aan bepaalde minimum eisen voldoen, maar de schaats(st)er kan hoger inzetten. De vrije kür wordt geschaatst op muziek die zelf mag worden uitgekozen. Voor de dames senioren duurt de vrije kür 4 minuten, voor de heren senioren een halve minuut langer. Het programma moet harmonisch zijn opgebouwd d.m.v. sprongen, sprongcombinaties, danspassen, verbindingspassen en tempowisselingen in de muziek. De vrije kür vormt voor het publiek verreweg het mooiste schouwspel, omdat de artistieke waarde en originaliteit hierin een grote rol spelen. Het is ook in dit onderdeel dat de deelnemers hun nieuwe sprongen en figuren kunnen presenteren. Tijdens de vrije kür zijn al heel wat beroemde, nieuwe figuren geboren.

PAAR-RIJDEN

De eisen van de ISU zijn voor dit onderdeel dezelfde als bij de solisten, echter hierbij is ook het synchroon bewegen een belangrijk criterium. Men ziet bij dit onderdeel vaak zogenaamde “geworpen sprongen”, waarbij de man de vrouw de lucht in werpt. Zij maakt dan een pirouette (of sprong) en komt met één schaats weer neer op het ijs. Verder zijn er ook “lifts”, waarbij de man de vrouw boven zijn hoofd in de lucht houdt. Paarrijders dienen evenwel ook individueel klasse in huis te hebben om alle sprongen en wegwerpsprongen, draaiingen, pirouetten en combinaties goed uit te kunnen voeren.

IJSDANSEN

IJsdansen onderscheidt zich van paarrijden doordat het gebaseerd is op een klassieke dans en geen sprongen kent. De ISU bepaalt per toernooi welke dans de korte kür vormt, voor de vrije kür mogen de paren dit zelf bepalen. In het ijsdansen is de artisticiteit van groter belang dan bij het paarrijden. Dit is moeilijker dan als solist, want men moet veel geduld en samenspel hebben. Men moet goed op elkaar passen en elkaar helpen als het nodig is.

Er zijn drie onderdelen bij het ijsdansen:

  1.  Verplichte dans: Dat is een standaarddans, waarvoor het patroon is voorgeschreven.
  2.  Originele dans: Het wedstrijdpaar maakt zelf een danspatroon op een verplicht ritme.
  3.  Vrije dans : Hierbij is de muziekkeuze vrij.

Bij de Originele dans en de Vrije dans moeten in de dansen voorgeschreven elementen verwerkt worden. Ook geldt er een tijdslimiet.

Het ijsdansen is vermoedelijk al meer dan drie eeuwen oud. Het werd echter puur als vertier beoefend. Het ijsdansen werd pas aan het eind van de 19e eeuw populair, vooral in Wenen. In 1896 werden door de ISU de eerste wereldkampioenschappen kunstrijden gehouden in St. Petersburg, Rusland, toen alleen nog voor mannen. Dames mochten pas in 1906 meedoen. Paren in 1908. IJsdansen als laatste in 1952. IJsdansen werd in 1976 een Olympische sport.

SYNCHROONSCHAATSEN

Synchroonschaatsen (vroeger ook wel precisieschaatsen genoemd) deed in 1957 zijn intrede in de schaatssport. Synchroonschaatsen is een schaatsvorm waaraan iedereen vanaf zes jaar kan deelnemen, zowel op recreatief als op competitieniveau. Bij synchroon gaat het erom dat een groep van minimaal 12 en maximaal 16 schaatssters als groep een kür op het ijs zet en dat daarbij zo veel mogelijk als eenheid wordt opgetreden. De groep voert een dans uit op zelfgekozen muziek. Deze kür mag niet lijken op wat men bij het solokunstrijden of het ijsdansen doet. Het is de bedoeling dat er allerlei patronen worden gevormd, dat er in verschillende samenstellingen wordt gereden en dat dit alles zo soepel mogelijk in elkaar overvloeit. Synchroonelementen zijn onder andere: wheel, intersection, moves in the field, circle, block, no holds block, spin en (group)lifts.

SHOWRIJDEN

De nieuwste disciplines van het kunstrijden is showrijden. De uitvoering gebeurt op muziek, waarbij mag worden gezongen. Een belangrijk aspect in deze discipline is het woordje show. Het is belangrijk dat de rijder of het team de jury en het publiek kan overtuigen van het “verhaal” van de muziek. De show omvat altijd een bepaald thema waar de kostuums, de bewegingen, de muziek en de choreografie op elkaar afgestemd is. Originaliteit is erg belangrijk. In 2000 werden de eerste Europese Kampioenschappen Showrijden gehouden in Eindhoven. Showrijden kan individueel, waarbij wordt opgedeeld in leeftijdscategorieën, als duo of kwartet waarbij twee leeftijdscategorieën gelden en als kleine of grote groep.

GESCHIEDENIS

Na vanuit Amerika te zijn overgewaaid, werd in 1917 in ons land de eerste kunstrij-wedstrijd gehouden. Na de komst van de kunstijsbanen is de beoefening van het kunstrijden/ijsdansen toegenomen. In 1951 vonden de eerste nationale kampioenschappen plaats. In de jaren zestig zorgden vooral Sjoukje Dijkstra en Joan Haanappel voor internationale successen. In 1975 behaalde Dianne de Leeuw namens Nederland de laatste wereldtitel. De hoogtijdagen voor het Nederlandse kunstrijden zijn voorlopig helaas voorbij. Maar nieuwe tijden, nieuwe kansen en wie weet schaatst uw kind nu bij KVH en straks op de Olympische Spelen!

KURELEMENTEN

Sprongen

Sprongen zijn een belangrijk onderdeel van het wedstrijdschaatsen. Veel rijders zullen niet verder komen dan een enkele sprong, terwijl de wat fanatiekere wedstrijdrijders de dubbele sprongen onder de knie kunnen krijgen. Tijdens de internationale wedstrijden worden er voornamelijk doubles (2 rotaties in de lucht), Triples (3 rotaties in de lucht) en quads (4 rotaties in de lucht) gesprongen. Waarbij de quads alleen door de heren worden gesprongen.

De sprongen onderscheiden zich van elkaar door de afzet (voorwaarts binnenkant/buitenkant) en het aantal rotaties die in de lucht worden gemaakt. Met binnenkant wordt bedoeld dat er wordt afgezet vanaf de kant waar je grote teen zit. De buitenkant is de kant van het ijzer waar je kleine teen zit.

De sprongen kunnen met de klok mee en tegen de klok in worden uitgevoerd. Dit heeft meestal te maken met het feit dat je linkshandig of rechtshandig bent, hoewel dit niet altijd op gaat.

Je kunt de sprongen op delen in 2 soorten;

  • Kantsprongen waarbij de rijder afzet met de binnenkant of buitenkant van de voet/ijzer.
  • Priksprongen waarbij de rijder de puntjes (toe pick) vooraan het ijzer gebruikt om af te zetten.

Hieronder zie je de 6 meest algemene sprongen op volgorde van moeilijkheid;

Spot (Toe Loop) 
De Spot wordt dus als de makkelijkste sprong beschouwd, vaak leer je de Spot na de Salchow die meestal als eerste wordt aangeleerd. De spot is een priksprong die achterwaarts wordt ingezet en geland op de rechter buitenkant. Deze sprong werd in 1920 uitgevonden door de Amerikaanse schaatser Bruce Mapes.

Salchow

Deze kantsprong is uitgevonden door de Zweedse Ulrich Salchow (gouden medaille, 1908).  Vanuit een achterwaarste positie wordt de sprong ingezet vanaf de linker binnenkant om vervolgens achterwaarts te landen op de rechter buitenkant.

 

Rittberger (Loop jump)

Dit is een kantsprong die uitgevonden is door de Duitser Werner Rittberger in 1910.  De rijder start door achterwaarts te schaatsen op de rechter buitenkant. De landing is achterwaarts op de rechter buitenkant.

 

Flip

De flip is net als de spot in het leven geropen door de Amerikaan Bruce Mapes in 1913.  Deze sprong lijkt op de salchow vanwege het 3’tje wat gemaakt wordt om in de achterwaartse positie terecht te komen. Achterwaart schaatsend op de binnenkant van de linkervoet moet de rijder de puntjes gebruiken om af te zetten. De landing is achterwaarts op de buitenkant van de rechtervoet.

Lutz

De lutz is een priksprong uitgevonden door de Oostenrijker Alois Lutz in 1930.  Het is voor de meeste rijders een moeilijke sprong omdat de sprong vanaf een andere richting wordt ingezet dan dat er gedraaid wordt in de lucht. Achterwaarts schaatsend moet de rijder de puntjes in het ijs prikken om de sprong te maken. De landing is achterwaarts op de buitenkant van de rechtervoet. Een Lutz wordt achterwaarts op de buitenkant van de linkervoet ingezet. Een lutz die uitgevoerd wordt vanaf de binnenkant wordt ook wel een Flutz genoemd.

Axel 

De meest moeilijke kantsprong is uitgevonden in 1882 door de Noor Axel Paulsen. De axel wordt ingezet vanuit een voorwaartse positie op de buitenkant van de linkervoet. De rijder moet dan 1,5 draai in de lucht maken. Bij een dubbele sprong is dit 2,5 draai en bij een tripple 3,5 draai. De landing is op de buitenkant van de rechtervoet. De eerste vrouw die een tripple axel sprong was Midori Ito in 1988.

Pirouettes

Er zijn vele soorten pirouettes die zich van elkaar onderscheiden door het been waarop de pirouette wordt uitgevoerd (standbeen), de manier waarop de pirouette wordt ingezet en de positie van de armen, benen en het lichaam. De meeste rijders draaien hun pirouettes tegen de richting van de klok in. Er zijn er maar weinig die het draaien in beide richtingen goed onder de knie krijgen. Iemand die tegen de klok in draait zal de voorwaartse pirouette op het linkerbeen uitvoeren terwijl iemand die met de klok mee draait deze pirouette op het rechterbeen uit zal voeren. Het been waarop de pirouette wordt uitgevoerd bepaald of het een voorwaartse- of een achterwaartse pirouette genoemd wordt, dit heeft dus niets te maken met de draairichting.

Om een goede pirouette te kunnen draaien is het heel belangrijk dat je in staat bent om de pirouette te centreren (zoveel mogelijk op dezelfde plek blijven). Als je pirouette goed gecentreerd is, dan kun je dit zien aan de cirkeltjes die het ijzer heeft gemaakt op het ijs. Zitten deze dicht bij elkaar of overlappen ze elkaar, dan is je missie geslaagd.

Er zijn 3 basis posities van waaruit vele pirouettes zijn ontstaan;

1. STANDPIROUETTE (upright spin);

Pirouette op 2 benen
Dit is de eerste basis-pirouette die geleerd wordt aan de beginnende schaatser. Beide benen blijven nog veilig op het ijs.

Pirouette op 1 been
Basispirouette op 1 been, kan zowel voor- als achterwaarts uitgevoerd worden.

kruis pirouette (scratch spin)
Dit is de klassieker die heel veel wordt uitgevoerd aan het einde van een kur. Tijdens deze pirouette duwt de schaatser zijn of haar voet naar beneden over het standbeen heen. Tegelijkertijd worden de armen dicht naar het lichaam gebracht maar kunnen ook boven het hoofd worden gehouden. De achterwaartste versie van deze pirouette is de basishouding in de lucht tijdens het springen.

Bielmann Pirouette 
Is een variatie op de layback spin en uitgevoerd door het vrije been van achter naar boven het hoofd toe te trekken. Het ijzer van de schaats mag met een of beide handen vastgepakt worden. Genoemd naar Wereldkampioene Denise Biellman (1981)

Hemelpirouette (layback spin)
eze pirouette is typisch voor vrouwen. Zij buigen met hun bovenlichaam zijwaarts of naar achteren met het vrije been opgetild naar achteren om een mooie hemel pirouette te laten zien. Tijdens het roteren, kijkt de schaatster naar boven, zogenaamd naar de hemel, vandaar de naam hemel pirouette) Hier is ook weer een variatie op bedacht waarbij de rijder het ijzer beetpakt en de schaats van achter naar het hoofd toetrekt (haircutter).

2. ZITPIROUETTE (Sit-spin);

Bij de zitpirouette zakt de rijder in een zittende positie met een been recht vooruit gestoken. Hoe meer het standbeen gebogen is, des te beter en dieper is de pirouette. Voor een beginner is het heel moeilijk om ver naar beneden te zakken. Een goede manier om dit te verbeteren is het oefenen van de zitjes-op-een-been (shoot the ducks). Dit kun je behalve op het ijs ook thuis droog oefenen.

Ook op de zitpirouette zijn weer verscheidene variaties bedacht, zoals de broken leg sit spin, corkscrew sit spin, flying sit spin, pancake spin, cannonball spin en de death drop.

3. WAGENWIEL/ZWEEFPIROUETTE (Camel Spin);

Tijdens de Wagenwiel Pirouette draait de schaatser in een soort T-vorm waarbij hij zijn been gestrekt houdt op het ijs en zijn bovenlichaam en ander been een rechte lijn vormt, parallel met het ijs. De Wagenwiel Pirouette is veel voorkomend en er bestaan verschillende variaties op zoals de overgesprongen wagen pirouette (schaatser springt van het ene been over naar het andere been) en de donutpirouette pirouette (de schaatser pakt het ijzer van zijn vrije schaats en vormt zo een donut).

De sprongen zijn een van de belangrijkste onderdelen in een kur. Het houdt in dat een rijder de lucht inspringt waar hij vervolgens een of meerdere rotaties maakt en vervolgens op een been landt op het ijs. Dat kan op verschillende manieren en zijn te herkennen aan de voorbereiding en de start van de sprong. De landing is bij alle sprongen hetzelfde: zij het rechtsbuiten achterwaarts voor rijders die tegen de klok in draaien of linksbuiten achterwaarts voor rijders die met de klok mee draaien.

WEDSTRIJDEN en TESTEN voor solorijden/paarrijden/ijsdansen/synchroonschaatsen

Om aan een bepaalde wedstrijd deel te mogen nemen worden KNSB-Moves in the field testen afgenomen. Een behaalde test geeft recht om aan een bepaalde categorie deel te nemen. In combinatie met de leeftijd van de rijder (peildatum 1 juli) wordt bepaald in welke categorie en bij welke wedstrijden de rijder mag starten. Zie meer informatie het kopje ‘wedstrijden’.

Bij KVH start iedereen aan het lesprogramma “Learn To Skate (LTS)”. Daarbij worden regelmatig testen afgenomen, zodat de vorderingen worden bijgehouden. Er zijn totaal 9 LTS-testen. Wanneer je de LTS-testen hebt behaald, kun je doorgaan voor de KNSB-testen.  Zie meer informatie het kopje ‘testen’.